A. is de onderste plaat
B. is de trekdraad. Deze is verbonden met de toets
C. Is een pulpeet. Dit is een luchtdichte beweegbare afsluiting
D. Zijn Scheien. De zijwanden van een cancel
E. Is het ventiel
F. Is de sleep (het aantal registers bepaalt hoeveel slepen er zijn)
G. Is de pijpenstok
H. is de cancel (windkanaal)
K. is de ventielenkast

Op deze pagina probeer ik een beetje duidelijk te maken hoe het orgel globaal werkt. Hiervoor heb ik een van de doorsnede van een windlade een tekening gemaakt. Aan de hand van deze tekening zal ik het één en ander toelichten. Onderaan deze pagina heb ik een animatie gezet waarop de delen bewegend te zien zijn



Op het bovenste deel van deze tekening is de sleeplade in rust. De ventielen zitten dicht en de gaten van sleep (F) corresponderen niet met de gaten in de pijpenstok en de dekplaat van de windlade.
Op het onderste deel van de tekening is de register gekozen en een toets ingedrukt.

Wat zien we gebeuren.
In de ventielenkast (K) zit de orgelwind. Deze kast is luchtdicht. Door het trekken aan de trekdraad (B) gaat het ventiel (E) een klein stukje naar beneden. De wind kan nu in het Cancel (H) boven het ventiel stromen. Er staat dus ook druk in de cancel. Maar ook dit is een winddichte doos. Door nu de Sleep (F) een stukje naar links te plaatsen vallen de gaten in de bovenste plaat, de sleep en de pijpenstok(G) samen waardoor er een verbinding ontstaat met de buitenlucht.
De lucht loopt nu naar buiten. Als we nu een pijp op het gat van de pijpenstok zetten, zal deze lucht door de pijp blazen. Resultaat: We hebben een toon.

De ventielen worden bediend door de toetsen. Hoeveel ventielen er zijn hangt dus af van de grootte van het klavier. Vaak zijn dat er 56 per klavier en 30-32 voor het pedaal de bewegingen van de toetsen wordt via een ingewikkeld systeem van abstracten (trekstokken) en wellen (walsen) overgebracht van de toets naar de windlade.

Het aantal slepen wordt bepaald door het aantal registers op een orgel. In de doorsnee zien we één sleep (dus één register) maar door een aantal slepen achter elkaar te plaatsen kunnen we telkens rijen met pijpen creeren. Het aantal rijen (verschillend klinkende) pijpen bepaalt het aantal registers.
Bij het kiezen van een register wordt de betreffende sleep (F) een stukje naar links geschoven.



Op bovenstaande foto heb ik een klein stuk van de windlade staan. Hij staat hier op zijn kant.

Duidelijk zichtbaar zijn hier:
1. De voorslag. Dit is de afsluiting van de ventielenkast.
2. Dit is de dekplaat van de windlade.
3. Dit zijn dammen. Deze zijn op de bovenplaat bevestigd. Hiertussen komen de slepen te liggen. Deze slepen hebben de gaten als die we hier zien, alleen een klein stukje verschoven
Bovenop de slepen en de dammen komt dan de pijpenstok te liggen. Deze heeft weer dezelfde gaten als de bovenplaat van de windlade




Deze foto geeft ons een kijkje in de ventielenkast.
Hier is:

1. Het ventiel
2. de trekdraad die via mechanieken aan de toets zit
3. de pulpeet. (de luchtdichte afsluiting)
4. de ventielveer die er voor zorgt dat het ventiel bij het loslaten van de toets weer sluit.

Na start begint de organist vrolijk te spelen (het ventiel gaat open). Echter, er is geen register gekozen. De wind, weergegeven door de grijze kleur blijft steken in de cancel. Vlug laat de organist de toets weer los en kiest een register. De sleep beweegt naar links. Dan drukt de organist weer op de toets en de lucht loopt bovenaan uit de lade (en daar hadden we dus een pijp opgezet). Dan slaat hij nog een paar toetsen aan. Daarna laat hij de toets weer los en sluit het register en beeindigt hiermee zijn concert.